Tijdschrift

voor transformatie

 

 

 

Uit: Bruisvat 2, najaar 1999

 

Morele techniek deel 2:

Enige elementen om tot levenstechniek te kunnen komen

Morele technieken in de praktijk

door Nicolaas de Jong

 

In het vorige artikel heeft Nicolaas de Jong aan de hand van enige voorbeelden aangegeven wat het verschil is tussen gangbare en morele technieken en hoe de morele techniek samenhangt met de ontwikkeling van de mens en het voorwerp van zijn aandacht. Hieronder worden enige handvatten aangereikt om tot daadwerkelijke inzichten omtrent levenstechnieken en de oefening van wegen ernaartoe te kunnen komen.

In vroeger tijden, in onze streken van de Kelten en Germanen, was elk voorwerp voorzien van heilige inscripties, die de werkingen ervan begeleidden. Bezig zijn met dat voorwerp was een ritueel gebaar, want de goden en levenswerkingen die erop waren weergegeven, in voorstellingen en schrifttekens, werkten ook daadwerkelijk mee met het gebaar. Het duistere tijdperk, pas begin 20e eeuw afgesloten, heeft die verbinding met de godenwereld verbroken – althans voor het menselijke bewustzijn. Nu hebben we daardoor ons individuele bewustzijn in en aan de fysieke wereld kunnen ontwikkelen. De wetenschap onderzoekt de natuur, de kunst wat er in de natuur is te beleven. En de religie (wat betekent ‘herver-binden’) zo die in de Westerse wereld nog bestaat en wordt beleden, is een cultus op zichzelf die de ziel en geest aan spreekt, maar niet meer met de dagelijkse handelingen te maken heeft – hooguit wordt men zich meer bewust van de dagelijkse handelingen en hun nut in het grotere geheel.


Germaanse bijl met inscripties en levenskrachtpatronen

Onze voorwerpen zijn enkel op nut geënt; van schoonheid is weinig sprake (al wordt er momenteel wat meer aandacht aan vormgeving besteed). Dit alles heeft zijn rechtvaardiging wanneer je enkel van de fysieke werkelijkheid uitgaat en erin werkzaam wilt zijn; alles heeft zijn hokje. Wanneer je echter de levenswereld erbij betrekt – en meer en meer mensen worden zich ervan bewust dat die er is en ook op ons inwerkt – dien je daar ook in je handelen bewust van te zijn. Dat betekent deze wereld onderzoeken, de samenhang met jezelf ervaren, en dan ook in technieken zoeken hoe je ermee kunt samenwerken (wat een andere houding is dan haar te willen beheersen, want al doende kan men goden en elementwezens in haar onderkennen, en komt dan niet eenvoudig om samenwerking heen).

Op volgende wijze kan men de vier levensbereiken en hun samenhang met onze eigen lichamelijkheden onderkennen en onderzoeken:

-In de krachten van het vuur, de warmte kunnen we onze eigen geest beleven; door ons in warmte met een daad, of een verschijnsel (voorwerp, mens, wezen) in de omgeving te verbinden, kunnen we onze wilsimpulsen erin uit laten stromen in het doen. In onze lichaamsorganisatie gebeurt dat door gedifferentieerde warmteprocessen, waardoor we onze andere lichamen, organen en ledematen vanuit onze geest kunnen bedienen (een deel hiervan verloopt onbewust). De wilsimpulsen zelf zijn te ervaren als muzikale motieven. Warmte is een directe uiting van het levensbereik dat wordt genoemd de warmte-ether. De huidige benaming is energie, of infrarode elektromagnetische trilling. Beide benaderingen, energietoestand en infraroodtrilling, zijn echter afspiegelingen in de ondernatuur en in sommige gevallen andere levensbereiken van specifieke warmtetoestanden. Zo imiteert de magnetronoven slechts de met warmte gepaard gaande trillingsverschijnselen binnen de materie door deze in trilling te brengen. Wanneer men twee warme maaltijden, waarvan de eén met een klassieke warmtebron is gemaakt, de andere met een magnetron, qua warmte-uitstraling, smaak en geur met elkaar vergelijkt, dan kan men heel duidelijk de kwalitatieve verschillen tussen warmte en trilling als afspiegeling daarvan opmerken.

-In de lucht, de atmosfeer, weven de kleuren. In de lucht die we inademen, nemen we de zintuigindrukken mee, die hun weg door het hele lichaam vinden, zodat we ze tot in onze vingertoppen en tenen kunnen voelen. Dit wekt onze gevoelens op. Gevoelens in onze ziel komen overeen met de kleuren in de atmosfeer die we waarnemen (wat in de mensheidsontwikkeling telkens is veranderd (1)). Ze hebben elk een specifiek gebaar, wanneer ze zich uitdrukken in het levensbereik dat de kleuren weeft, wat wordt genoemd de lichtether. De lucht is aldus een objectivatie van wat zich in onze ziel af-speelt. Het specifieke gebaar van een gevoel of kleur drukt zich in de klankwereld af als opeenvolgende tonen die intervallen vormen; de zielestemming waaruit gevoelens voortkomen laten zich benaderen in specifieke tonaliteiten (majeur, mineur, de kerketoonaarden; er zijn er echter nog meer).

-Het water komt tot leven door bewegingen, die zich tonen als wervelingen. Zie je stromend water als de voortgaande tijdstroom, dan zijn daarin de wervelingen ritmische onderbrekingen die de tijdstroom kunnen stuwen, stoppen en intensiveren, al naar gelang de richting en vorm ervan. Muzikaal zijn deze wervelingen te beleven als verschillende ritmen, c.q. ritmevoeten. In plant, dier en mens veroorzaken ritmische processen de groei en het leven zelf; het leven uit zich in ritmedifferentiaties van de doorgaande tijdstroom. Denk eens aan groeispurten, verdichtingen van planteknoppen, het ritmisch ontplooien van blad na blad aan de groeiende stengel. Ook onze innerlijke fysiologie is een uiting van groei en voortgang van het leven. De chemische stoffen worden geordend in de levensprocessen door middel van klank (wat een spiegeling is vanuit de lichtethersfeer in de levensstromen) en ritmen – uit de levensstromen zelf. Dit levensbereik wordt daarom klank- of chemische ether genoemd. Het draagt vooral de levenslichamen van plant, dier en mens. Dit uit zich in het element water; zonder vocht is er geen leven mogelijk.

-In de vormen van aardse verschijnselen, dus daar waar een fysieke weerslag verschijnt uit de werelden van leven, ziel en geest, kunnen we bij aandachtige aanschouwing een zin ontdekken, of in elk geval zoeken. Pas door de gemanifesteerde vormen heen kunnen we zin ontdekken, in onze gedachtenvorming (die ook een fysieke weerslag heeft in het hersen-zand in de hypofyse). Dat element wat vaste vormen onderhoudt, het aarde-element (hierin ordenen zich de substanties, en niet omgekeerd), geeft zin aan, en het levensbereik dat vormen fysiek in stand houdt, heet de zin- of levensether. Deze stelt maat, begrenzing aan de dingen, maar geeft ook houvast en mogelijkheid tot oriëntatie in de ruimte. Denk maar eens aan ons skelet, en onze afsluitende huid. Muzikaal uit zich dit in maatsoorten. Hiervan zijn er meer dan de gangbare gebruikelijke in onze westerse muziek, want elke maatsoort is een afspiegeling van een van de planeetritmen naar de aarde, die hun weerslag hebben in onze orgaanwerkingen. De organen begeleiden en sturen onze levensprocessen. Muzikaal gezien, richten ritmen (uitingen van het leven), klankstromen (uitingen van gevoelens in de ziel) en muzikale motieven (dat zijn wilsimpulsen die zich in het denken als gedachten kunnen openbaren) zich naar de maatsoort die hen draagt, die als een ruimtelijke bedding de tijdstroom kleurt en bepaalt, en zo een zin geeft. Zin zit in woordklanken, en de vormende werking hiervan (zoals in de bewegingskunst woordeurythmie deels is uitgewerkt) is de basis voor zinvolle vorm die is gestold in de fysieke wereld.

Op deze wijze zijn de werkingen der verschijnselen op muzikale wijze bepaald vanuit onze vier lichamelijkheden:

Geest - warmte, wilsimpuls - muzikaal motief - gedachte
Ziel - kleur, gevoel - interval in tonaliteit - in zielestemming
Leven - ritmische levens - ritmevoeten - processen
Fysiek - zinvolle vorm- - maatsoort als tijdbedding stroombedding - woordklank als vormtaal

Het werken vanuit deze inzichten, die innerlijk niet moeilijk zijn te ervaren, kan helpen om via muziek de inspiratieve wordingsstroom van verschijnselen te herkennen en onderzoeken. Dat gebeurt door inleving in verschijnselen op muzikale wijze.

De zin kan men leren herkennen door het wilsgebaar van het te onderzoeken voorwerp of verschijnsel uit te boetseren, alsmede het ideaal of wilsgebaar dat dat in jezelf oproept. Vervolgens het innerlijke (deugd)gebaar dat nodig is om tot de realisatie van dat ideaal als gebaar te zullen komen. Zo ontstaat inzicht in dat wat het voorwerp of verschijnsel wil worden, zijn ontwikkelingskiem dus, en die van onszelf. Een stuk wilsverlenging dat hiervanuit kan ontstaan wanneer men naar een nieuwe techniek op zoek is, is dan een samenwerkingsverband tussen ding en eigen wil.

Doorgetrokken naar de morele techniek: Je kunt een verschijnsel in je opnemen en het als idee, werkingsprincipe begrijpen – dit is vooral een denkactiviteit. Het zinvol begrijpen van een werkingsprincipe of werkzaam idee is werkterrein van een geesteswetenschap, want het betrekt de werkzame geestelijke dimensies achter het verschijnsel erbij.

Je kunt je dieper met een verschijnsel, voorwerp of wezen willen verbinden door je er al invoelende en doende mee uiteen te gaan zetten. Al doende kun je je in zijn werkingen in gaan leven. Middels muziek, met de muzikale elementen, of door schilderen, kun je ermee gaan spelen. Dat is werk door de ziel heen, je eigen gevoelsbetrokkenheid komt in het spel. Wat je hier kunt vinden, zijn de objectieve werkingen van het verschijnsel door de eigen ziel heen, die je kunt leren onderscheiden van de eigen belevingen, gevoelens en daarop gegrondveste subjectiviteit, zoals vooroordelen. Je kunt dan tot zielegebaren komen van je verbinding met dat voorwerp, en van het voorwerp zelf zoals je dat ervaart. Dit kun je eventueel vormgeven in kleurbewegingen, of in klei als vormgebaren. Het gebaar, dus dat wat je wilt van het verschijnsel als verlengstuk van je eigen wil, en beleefd met je ziel, kun je zo in vorm (klei of kleur) objectiveren. Deze weg kun je noemen de objectieve kunst; het in de ziel kunnen objectiveren van werkingen in de natuur en in de ziel zelf (die overeenkomen). Ieder vormt iets anders vanuit zijn ziel, maar bij vergelijking is er een duidelijke overeenstemmende vormtaal te herkennen in dat wat ieder maakt. Ook kom je op deze weg onherroepelijk de sociale, maatschappelijke en in de natuur uitwerkende consequenties tegen van de activiteiten van dit verschijnsel. Ermee werken leidt dus tot toetsing aan het geweten, de morele standaarden die men hanteert.

Het uitboetseren van de wilsimpuls van het voorwerp en dat wat het in zich oproept als reactie, alsmede dat wat je moet doen als innerlijk gebaar (deugdontwikkeling) om het wilsgebaar te kunnen realiseren, kan helpen om dat wat wordt gewild als ontwikkeling te maken. Je zou het voortgaan op deze weg, dus het maken van een werkzaam iets uit de objectief gevonden werkingen die men in de ziel beleefd heeft, morele techniek kunnen noemen, want hij verloopt via de toets met het geweten (waarnaar men natuurlijk niet altijd hoeft te luisteren, maar dan gebeurt er waarschijnlijk ook weinig). Hier hervinden zich in het doen in en met de aarde de wetenschap en de kunst opnieuw, en ontstaat religie in het doen uit eerbied voor en aan de aarde; want men komt in de werkingen die men beoogt, en die zich afspelen in de levenswereld, onherroepelijk de hen genererende wezens tegen, dat zijn de goden (Engelhiërarchieën) en elementwezens, en kan stap voor stap met hen leren samenwerken en -doen.


Boven: Ford A, 1903
Onder: Ford T-Bird, 2002

Aldus kun je trachten een voorwerp te maken met behulp van inzicht in elk van de vier levensbereiken als wer-kingsvelden, die het gebaar van wat men wil bereiken al deels in zich hebben; aanvankelijk rudimentair, maar later meer en meer verfijnd. Dit komt in de moderne industriële vormgeving vaker al naar buiten; auto’s krijgen meer en meer de vorm van een druppel die de minste weerstand biedt, worden dus waterig van vorm, maar daarnaast beginnen zij steeds meer op een insect te lijken – hun ware wezen drukt zich in de vormgeving meer en meer uit. Dat is heel anders dan de paardenloze koets waarmee de auto-ontwikkeling is begonen. Een andere, oude vorm van techniek is de wichelroede, die veelal ontvankelijk is voor bepaalde levensstromen en vormkrachten door zijn specifieke vorm. De levenswereld bestaat uit gebaren, elk met een eigen vormtaal overeenkomstig het element waarin het uitwerkt. Bij de ontwikkeling van morele of levenstechniek gaat het er dus om, dit gebaar te kunnen herkennen, duiden en versterken vanuit de eigen ziel (te beleven in klanken) en de wil.

 


Enige elementen om te komen tot de ontwikkeling van levenstechnieken

Er is al veel onderzoek gedaan naar klank en vorm. Chladni vond al in de vorige eeuw dat wanneer hij metalen platen met een strijkstok in klanktrilling bracht, er bij elke toon een apart patroon ontstond, waarin strooisel op de plaat zich groepeerde (op de klankknopen, dus daar waar de mins-te trilling was). De Zwitser H. Jenny heeft hier verder oriënterend onderzoek naar gedaan (zonder dat hij tot conclusies heeft kunnen of willen komen (2)). Wanneer hij bijvoorbeeld marsmuziek boven een stroperige massa liet klinken, bewogen de deeltjes zich ritmisch voort als waren zij marcherende soldaten, keurig in het gelid.

Nu kun je vormen namaken van bepaalde klanken. Ook kun je ze net even anders maken, zodat ze net niet in de gewenste klankstroom en golfvorm zullen passen. Omdat ze bij opklinken van die klankstroom toch mee willen gaan bewegen (het verschijnsel van sympathische resonantie), zal het voorwerp gaan bewegen om toch optimaal mee te kunnen trillen –en zo ontstaat beweging als uitgangspunt. Doet men dit vanuit zelfgevonden vormen, dan zullen de vormen als vervolmaking van de eigen wil met de tonen in het levenslichaam mee gaan bewegen (het gaat hierbij om tonen en bewegingen, ritmen in de klankether, niet in het fysiek hoorbare gebied). Zo ontstaat een stuk gereedschap als verlengstuk van de eigenwil..

Dit is al doende stap voor stap te verfijnen naar uitgebreider werkingen en ingewikkelder machines. Op deze wijze zijn ook mijn muziekinstrumenten ontstaan, die de woordklanken van de Dierenriemsterrebeelden trachten te verdichten door de vormgeving heen. Een belangrijke waarneming hierbij was dat ik keer op keer geholpen werd door een of meerdere elementwezens, die me de weg wezen, en na het bouwproces ook vaker zelf in het instrument gingen wonen (hun aangrijpingspunt erin namen). Hier is een stuk samenwerking ontstaan doordat ik trachtte de werkingen op objectief kunstzinnige wijze door me heen te laten spreken. Een vorm van religie, herverbinden dus met zingeving vanuit het geestelijke, ontstond zo. En een techniek die geen herrie maakt (zoals elk stuk huidig techniek veelal wel doet), maar juist innerlijk opklinkt in ongeveer de gewenste richting.


Leeuwlier

Een ander voorbeeld is het in de vorige twee Bruisvatten beschreven landschapswerk doordat er in en met de landschapselementalen samen werd gewerkt in hun bewegingen, ritmen en dat wat de deelnemers aan hartekrachten aan hen toe wilden voegen. Op verschillende plekken is daardoor een eerst geblokkeerd of weinig werkzaam landschapsenergiecentrum weer in beweging gebracht en naar behoren gaan werken op de omliggende streek.

Nog even concreet: de warmtewerkingen kan men niet direct in de natuur ervaren, daar vrijwel elk verschijnsel al een water- en vaste vorm heeft (levende wezens, stenen etcetera). Wel echter in de condensatie en vorming van wol-ken uit waterdamp. Hierin is de fijnzinnige differentiatie van een Cherubijn te vinden (een van de hoogste Engelwezens). Men kan zich in deze vorming inleven door waar te nemen en in de ziel mee te leven. Men daalt dan met de geest en de ziel af, en drukt in het meebeleven dit uit in tonen. De gevonden tonen en klankstromen kan men in groepsverband gezamelijk trachten te zingen. Door vergelijking van verschillende wolkenvormen en weerstypen kan men een gevoel voor die wezensgestuurde warmte krijgen, dus zijn mogelijke wilsrichting(en).

Ook kan men de verschillende ritmevoeten beleven in dans, muziek of dichtvorm; die hangen namelijk samen met verschillende levensgebieden in ons levenslichaam, en daarin huizen onze wilsimpulsen. Boetseert men de wilsrichtingen van de beleving van de verschillende ritmevoeten uit als wilsgebaren, en ook de eruit opwellende wilsimpulsen tot daden of gedachten (die voor iedereen anders zijn, op grond van zijn of haar persoonlijke karma), dan kan men inzicht in die warmtewerkingen leren krijgen, en ook de gewilde technieken uit deze gebaren trachten te ontwikkelen, onder andere op de boven aangegeven wijze. Waarschijnlijk ontwikkelt men dan andere technieken dan de gebruikelijke, want wat men doet is in samenhang met de persoonlijke ontwikke-lingsrichting. Wie kent niet de werking van de huidige techniek, die iemand kan doen bezitten in plaats van andersom? De wilswerkingen hiervan dient men zelf te temmen.

Dit als enige mogelijkheden om morele/ethertechnieken te kunnen ontwikkelen. Men kan deze techniek in elk levensgebied uitwerken, dus bijvoorbeeld ook als therapeut. Zielsmatige technieken die op het levenslichaam van de patiënt inwerken, zijn evenzeer te beschouwen als morele technieken. Demagogen hebben dit al goed weten te gebruiken, zoals superster Hitler en zijn mediamachinerie. Dat is tevens een illustratieve schildering van de mogelijkheden en gevaren.

 

Noten

1. Zie o.a. Collot – d’Herbois, ‘Light, Darkness and Colour in Painting Therapy’, Goetheanum Press, Dornach, 1993.
2. H. Jenny, ‘Cymatics’, Basel. Er is ook een film van de bewegingen van stoffen onder invloed van klank.


Uit: Bruisvat No. 2

Terug naar Archief

Terug naar Sampo home