Tijdschrift

voor transformatie

 

 

 

Uit: Bruisvat 2, voorjaar 2001

 

Het sterrenbeeld Draak als vormstudie

Door Nicolaas de Jong

Op de voorpagina van Bruisvat 2 is afgebeeld een beukenhouten beeld, gemaakt naar het sterrebeeld de Draak (zie onder). Het is een stukje praktisch onderzoek in en door het kunstzinnige heen (een stukje objectieve kunst; zie mijn artikel over levenstechnieken, elders in dit blad). De sterrebeelden zijn vanuit een zeker gezichtspunt te beschouwen als de oerbeelden voor mens en kosmos, mits je natuurlijk een zin zoekt in en achter elk verschijnsel. In het kort kun je het vanuit deze invalshoek op de volgende wijze beschouwen.

Een groep sterren, door de mensen gegroepeerd gezien in sterrebeelden, zijn de zichtbare sporen van een groep goden, ofwel Engelwezens van verschillende orde, die samen een bepaald onderdeel van de schepping, een bepaald oeridee vertegenwoordigen en dit op de aarde trachten te bewerkstelligen door mens en natuur heen. Het zijn, op deze wijze beschouwd, de aanvangsletters waaruit de wereld wordt geschreven, en die mede door toedoen van de mens verder uitgewerkt kunnen worden. Wat wij hiervan bewust krijgen en ook door ons doen om kunnen vormen, helpt die Engelwezens weer in hun verdere ontwikkeling. Wij bevrijden er een stuk aards geworden geestkracht mee, en ontwikkelen er zelf aan. De werkingen van de sterrebeelden worden overgebracht via het lentepunt in de Dierenriem (heden staat dat op 5o Vissen; het beweegt elke 72 jaar ongeveer eén graad achteruit door de Dierenriem), en zon, maan en planeten brengen via hun kleurende werkingen de krachten van een bepaalde ster of geheel sterrebeeld over op aarde en mens. Omdat ieder mens zelf voor zijn geboorte ook de sterren- en planeetsferen doorloopt, nemen we die werkingen van sterren en sterrebeelden in ons op, verwerken ze in onze innerlijke organisatie, en omdat we een wens naar verwe-zenlijkling en groei met ons mee nemen, dragen wij de gedachten die deze vertegenwoordigen, de oergedachten van de goden dus, in ons als idealen die onze daden kunnen aanvuren; wij zullen kunnen trachten deze idealen te verwezenlijken. Dit omdat ieder warm kan worden voor een specifieke daad of een idealengoed dat hem van buitenaf wordt aangedragen, ofwel dat bij wantoestanden van binnenuit opwelt. Het gaat hier om morele bewustwordingen, en de warmte-ontwikkeling duidt op een centrale rol van het hart.

Vanuit deze zienswijze is het gelegitimeerd om te onderzoeken wat de sterrebeelden ons kunnen vertellen. Daarbij kunnen mythen en legenden omtrent de sterrebeelden veel over de achterliggende intentie ervan, de oergedachte aanduiden, aangezien deze verhalen en beelden vaker overblijfselen zijn van een weten omtrent de werkingen van de sterren uit de tijd dat de mensen nog directer met de goden in de sterren konden communiceren. Ook is zinvol om de plaats aan de hemel in het grotere samenspel van sterrebeelden en de zône van de Dierenriem waarin zij staan, te beschouwen. En als laatste, niet het minst belangrijk, is de vorm van het sterrebeeld, dat een weerslag is van zijn werking; een uiting van wat hij als oeridee vertegenwoordigt. En vooral dit laatste is uitgangspunt voor een beeldhouwwerk zoals het op de voorpagina afgedrukt is. Daarom hieronder een stapsgewijze benadering van dit sterrebeeld, om zijn werking in en om ons zo volledig als mogelijk in kaart te kunnen brengen.

Het sterrebeeld de Draak staat hoog aan de noordelijke hemel. Het is een gekronkeld sterrebeeld met een kop en een staart, rondom de noordpool van de Dierenriem, het punt waarin alle Dierenriemzônes samen komen; de Siberische nomaden noemen dit de ‘nagel waaraan de hemeltent is vastgebonden’. Behalve de Weegschaal is het sterrebeeld aanwezig in elke Dierenriemzône. Zijn staart ligt in tussen Grote en Kleine Beer. De driehoekige kop loopt uit in Hercules, dat het eerste beeld is van de kring van helden aan de noordelijke sterrehemel (deze verbeelden elk een stadium van menselijke ontwikkeling en bewustzijn).

In vele mythen en sprookjes van verschillende volken komt de draak voor, die de gouden schat bewaart, ofwel alleen door een gelouterde oude vrouw of een prinses kan worden benaderd en gelouterd (beide beeld voor de ziel die de menselijke ontwikkelingskiem, het kind in ons, kan dragen). Enkel met moed en inzicht, ofwel met zachtheid, maar bovenal met moed kan hij worden verslagen of omgevormd. In de menselijke ontwikkeling hangt de draak samen met de naar de aarde gerichte mens die op de oude maan diergelijk horizontaal georiënteerd was in zijn fysieke lichaam en daardoor droomde in zijn bewustzijn. Het zijn vooral de tegenwerkende machten die de aardewording van de mens hebben bewerkstelligd, en die ons daarmee tot ontwikkeling helpen brengen.

De drang tot aardewording, incarnatie, veroorzaakt het ruggemerg, dat bij het jonge kind nog horizontaal is georiënteerd (het ruggemerg is de eerste verschijnende structuur in de embryonale kiemplaat). Pas de geest kan het doen oprichten, als wakkerheid en invoelend vermogen tussen voorstellen (later denken) enerzijds, en willen anderzijds. Bij de dieren zien we de reptielen een eerste gebaar maken tot oprichting. De tweezijdigheid van denken en willen komt bijvoorbeeld goed tot uitdrukking in de Brontosaurus, een uitgestorven reuzenreptiel met een dubbele rij platen langs zijn horizontaal verlopende ruggemerg.

De oprichting in de mens wordt bewerkstelligd doordat de grote hersenen (bewerkstelligd vanuit het sterrebeeld de Grote Beer) en de kleine (vanuit de Kleine Beer) het ruggemerg omklemmen. In deze hersenen kan onze ziel aangrijpen en onze geest, ons ik, zichzelf bewust worden aan de indrukken uit de buitenwereld die tot voorstelling kunnen worden (schors van de grote hersenen) en indrukken uit de levensverrichtingen van de eigen binnenwereld (kleine hersenen). Aan de hemel doen Grote en Kleine Beer dit voor door de staart van de Draak (ruggemerg) in te klemmen (beide sterrebeelden hebben als grondpatroon een doos die aan een steel zit).

Het ruggemerg met de verbrokkelende, geritmiseerde botvorming als wervels; wordt tijdens de embryonale ontwikkeling aangelegd. De wervels die zich eromheen vormen zijn drieledig gepunt, als afbeeld van ons drieledige wezen naar lichaam, ziel en geest, met als zielefunkties willen, voelen en denken.

Als ideaal in ons kan de Draak werkzaam maken de wil tot incarnatie keer op keer, opdat we van het plantaardige en dierlijke stadium zoals we aanvankelijk waren, ons door de menswording heen kunnen ontwikkelen tot engelen van verschillende orde, als geesten van vrijheid en liefde. Hierdoor kunnen we ook de aarde helpen omvormen en zo de draak (de tegenwerkende engelen die zich hiervoor hebben opgeofferd) helpen verlossen. In ons levenslichaam werkt een ideaal aanvankelijk uit als drift, en zo kunnen we in de Draak de oerdrift herkennen om te willen leven op aarde, dus ook de overlevingsdrang bij dreigend gevaar. De differentiatie hiervan is te vinden in de andere slangenbeelden aan de hemel (Grote en Kleine Waterslang; Slangestaart en –kop, verbonden aan de Slangentemmer, Ophiochus).

De incarnatiebeweging, vanuit een bol puntend naar onderen, is achtergebleven als gebaar bij de Asura’s, de op de zon achtergebleven duisterniswezens, die nu als Sorat-impuls het ik van de mens van bovenaf, vanuit diens bewustzijn (in de hersenen) willen splitsen. Alledrie de ‘boze’, tegenwerkende krachten zijn in het sterrebeeldsculptuur de Draak terug te vinden:

- Kop: luciferische inzichtskrachten die het bewustzijn kunnen doen ontfocussen.
- Midden: verhardende, vermaterialiserende en daarmee verbrokkelende tendenzen van ahriman, die geen ziel heeft.
- Staart: incarnatiebeweging, die zich van bovenaf in de langs het ruggemerg opstijgende kundalinikrachten wil binnendringen en daar het ik vervangen (Asura’s kunnen enkel verder ontwikkelen door een wezen met een ik, een ziel en een levenslichaam, de mens dus).

Dit over de achtergronden van hoe ik tot een beeld van de Draak ben gekomen. Een aantal van deze kenmerken en inzichten heb ik echter pas onderweg kunnen ontwikkelen, juist door me al hakkende een weg tot de vormentaal van het sterrebeeld te banen – dat was een proces met tussenpozen, dat meer dan een jaar heeft geduurd. En natuurlijk hadden er ook andere vormen uit kunnen komen, als ik andere uitgangspunten had gekozen. Toch voelde ik gaandeweg dat ik gestuurd werd in de differentiatie van de drie genoemde richtingen. Met als uitgangspunt de zin vanuit de vorm van het sterrebeeld te willen benaderen en begrijpen, heb ik door het geworstel heen de nodige gevoelsbewegingen doorgemaakt, liet het beeld vaak langere tijd liggen of liep erlangs zonder het te willen aanzien, want al doende kwam ik mezelf erin tegen met alles wat wil, maar nog niet af is, of juist neigt te verharden voordat het is uitgerijpt. Kortom, een spiegelend proces dat vooral met het scheppen van helderheid in en door mezelf te maken had. Het aangaan vanuit het kunstzinnige inleven en doorwerken met de ziel van wat de kwaliteiten van het sterrebeeld met mijzelf en mijn leef-omgeving te maken hadden, wekte juist die morele inzichten die met het ideaalkarakter van het sterrebeeld te maken hadden. Daarnaast gaf het taaie en harde beukenhout niet mee – het was een bewuste keuze voor dit hout, omdat het je door zijn weerstand maar toch ook innerlijke soepelheid, wanneer je het serieus neemt, tot verdieping kan voeren. En zo kwamen de grotere kosmische inhouden en dat wat ik uiterlijk en innerlijk waarnam met betrekking tot dit sterrebeeld uiteindelijk door mijn eigen belevingen en omvormingen, met mijn eigen mogelijkheden en onvolmaaktheden tot uitdrukking en samen in het houten beeld.

 

Noten

1. Meer over de achtergronden van sterrebeelden en hun vormtaal in: ‘Kosmobiologie’ en ‘Wetenschap Anders’, Rune-uitgaves 1986 en 1998.
2. Van alle sterrebeelden zijn ondertussen cement- of keramiekbeelden in de maak. Geïnteresseerden kunnen die huren, leasen of kopen.

Uit: Bruisvat No. 2.

Terug naar Archief

Terug naar Sampo home